“Marielle, hoe gaat het eigenlijk echt met je?” vraagt een goede vriendin mij een half jaar na het overlijden van mijn moeder. Ze ziet dat ik struggle met het grote verdriet dat op dit moment mijn leven beheerst.
“Ik kan er niet over praten” zeg ik, “het is te veel, te groot.”

Ik doe moeite om op de been te blijven, te zorgen voor mijn gezin, oog te hebben voor mijn vader en zijn verdriet en daarnaast wil ik ook mijn werk goed blijven doen. Mijn eigen verdriet, het gevoel van verlatenheid dat zich een half jaar geleden in mij nestelde, heb ik doeltreffend geparkeerd in een buitenwijk. Ik zet mijn schouders eronder en ga stug door. Mijn grote angst – dat het verdriet mij gaat overspoelen – wil ik onder geen enkele voorwaarde toelaten. Want als dat gebeurt, stort mijn zorgvuldig opgebouwde wereld in elkaar. Denk ik.

Dus praat ik er niet over. De mensen die vragen hoe het met mij gaat, krijgen ‘wel goed’ als antwoord. En zelfs deze vriendin, die ziet dat ‘wel goed’ de lading lang niet dekt, krijgt niet het hele verhaal te horen. Ik ben op de vlucht voor mijn eigen angst.
Enkele maanden later maak ik een afspraak met de huisarts. De moeheid, die me al wekenlang parten speelt, staat mijn dagelijkse leven in de weg. En nu ik ook nog een aantal keren duizelig ben omgevallen, maak ik me zorgen. Het zal toch niet, dat….? De huisarts verzekert me dat er geen lichamelijke oorzaken zijn voor mijn moeheid en duizeligheid.

Dat is voor mij het moment dat ik mijn verdriet onder ogen moet zien. In de buitenwijken, waar ik mijn zogenaamde negatieve gevoelens had geparkeerd, is het overvol geworden. Chaos, opstoppingen en filemeldingen kondigen zich aan. Mijn lichaam vertaalt dit in onrust, geheugenproblemen, lusteloosheid, moeheid en lusteloosheid.
Zoals de opstopping is ontstaan, zo pak ik het nu ook weer aan: één voor één ontwar ik de kluwen van gevoelens. Met pen en papier schets ik de situatie en al schrijvende ontdek ik waar het vastliep. Het parkeerterrein van gevoelens was vol. De slagboom was gesloten en de gevoelens die eruit wilden, begonnen te stressen. Ik zet de slagboom open. Langzaam komt alles weer op gang. In deze verkeersstroom mengt verdriet zich met blijdschap, verlatenheid geeft voorrang aan geborgenheid, onrust reist samen met activiteit.

Vraag je me nu hoe het gaat, dan krijg je het eerlijke en welgemeende antwoord: ‘Heel goed.’ Ik voel me enorm bevrijd. Er is ruimte voor nieuwe dingen. Er is ruimte voor jou!